Jullie zijn twee oud klasgenoten en hebben elkaar jaren niet gezien.
Persoon 1, het valt je op dat persoon 2 er fantastisch uit ziet. Vroeger had je altijd al een oogje op diegene en zoals die er nu uitziet komt alles weer bij je terug.
Persoon 2, jij zit op dit moment in een chemo-traject en loopt op dit moment voor het eerst met een pruik op.
A en B, dit is jullie vierde trainingsweek in Estland, als vrijwilliger vanuit Nederland in het vrijwilligersleger van Estland. De training is hard, vet en jullie weten dat jullie hier op je plek zijn.
Gisteren hadden jullie een dag voor jezelf. Geen training of appèl. Rondlopen, praten met jullie Estse collega’s, genieten. Genieten van hún wodka. En ijswakken.
A, jij bent meerdere keren een ijswak in gesprongen om daarna op te warmen in het stookhok. Je bent hierheen meegegaan om B, om jullie eeuwenoude vriendschap, en nu je weet dat je tot het uiterste zal gaan om Europa te verdedigen..
B, tot gisteren wist je zeker dat je de juiste beslissing had genomen door samen met A hierheen te komen. Nu weet je het niet meer. A zie je smetteloos opgaan in de groep van vechters, en jij staat er buiten. Je denkt er over om na de training definitief terug te gaan naar Nederland, maar die koppijn, die enorme koppijn na de kutwodka van gister…
Arjen, jij bent nu al een tijdje verslaafd aan heroïne, steelt waar je kan en zwerft rond op straat. Kevin, jij hebt Arjen zojuist opgepakt vanwege verschillende misstanden. Wanneer je die naar het ID vraagt, blijk je Arjen te kennen. Het is de pestkop die jou vroeger vaak te pakken nam.
Na een cursus ‘ontspullen’ een jaar geleden heb jij, A, het roer helemaal omgegooid. Al die Alibabazooi en zo ging de deur uit. Vandaag had je het op de heupen en ben je een stap verder gegaan; Alle niet-noodzakelijk spullen zijn bij het vuilnis gegaan, dus ook de lievelingsbeer van je man/vrouw B.
B komt net thuis van een zware, lange en vermoeide werkdag.
Ouder en kind.
Ouder, jij zit al een tijdje thuis met een burnout. Je bent van de een op de andere dag afgeknapt op het werk en hebt nu moeite met je energie op pijl houden.
Kind, jij woont bij jouw ouder in en hebt de leeftijd om uit huis te gaan. Je had hier plannen voor maar toen jouw ouder thuis kwam te zitten heb je deze plannen op de langere baan gezet.
Je stoort je al een tijdje aan de rommel in jullie huis en vandaag trek je het echt niet meer.
Persoon 1: Jij bent rijk geworden door de rensport, met honden. Je hebt hier goud geld mee verdiend en bent hier zeer tevreden over.
Persoon 2, jij bent de pas aangetrouwde familie en walgt van de houding van persoon 1. Die telkens maar doet alsof hij de grootste prestatie heeft geleverd en daar rijk mee is geworden. Je bijt op je tong want je partner heeft je gevraagd om niets te zeggen, en heeft je gevraagd al helemaal niet te zeggen dat je het zielig vindt.
Het is koningsdag en Jules, jij hebt al de hele dag rondgelopen, lekker gegeten en gedronken totdat Robin op een veel te volle gracht met een auto over jouw voet heen reed. Jullie zitten bij de eerste hulp te wachten tot je eindelijk geholpen wordt
Persoon 1, jij hebt de nare gewoonte om dingen te ontvreemden van het kantoor.
Persoon 2, jij hebt dit gezien en hebt hiervan als bewijs foto’s genomen. In plaats van persoon 1 aan te geven, ga jij deze foto’s gebruiken om dingen gedaan te krijgen bij persoon 1.
Jullie spreken elkaar het magazijn. Persoon 2, jij hebt zojuist de deur achter jullie op slot gedaan.
Speler 1, jij las vorige week een artikel in de Correspondent over de misstanden in de vrouwelijke turnwereld.
Je las hierin dat vrouwen bij sportscholen met olympische ambities gepusht worden om door te zetten. Trainers blijken over meerdere grenzen van de jonge sporters te gaan en ondanks dat er al meerdere misstanden aan het licht gekomen te zijn, trainers opgestapt zijn en besturen beterschap hebben beloofd, is het artikel somber.
Speler 2 is jouw dochter. Ze is een beroemde turnster die al op jonge leeftijd vele prijzen won. Door het artikel begin je je af te vragen of dit ook jouw dochter overkwam. Je besluit tijdens het afwassen hiernaar te vragen.
A, jij worstelt al een tijd met twee angsten; vliegangst en verlatingsangst.
B, jij worstelt ook met deze angsten, met name omdat jij door A nergens komt. Jij wil al heel lang een reis naar Bali maken, maar laat je tegenhouden door A.
Vandaag heb je het besluit genomen; A moet zich over 1 van zijn angsten heenzetten want jij gaat naar Bali.